GEMEENTE SCHAGEN

BESTEMMINGSPLAN HOEP-NOORD

CONCEPT

Stadium planprocedure
                    In ontwerp ter inzage gelegd
                    d.d 07-02-01 t/m 07-03-01
                    Gewijzigd/ongewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad
                    d.d.
                    Goedgekeurd door gedeputeerde staten
                    d.d.

Planinhoud
                    Toelichting (T)
                    Voorschriften (V)
                                        Bijlage: Archeologische waarden
                    Plankaart

Opsteller
                    drs. T. Dronkert, planoloog
                    Ing. G.A.J. Breugem, stedenbouwkundig medewerker
                    E. van der Schans, juridisch medewerker

Projectnummer
101491-0032

VVK architectuur
en stedenbouw bv
Plotterstraat 22-24
1033 RX Amsterdam
Postbus 37085

1030 AB Amsterdam
Telefoon 020- 6264410
Fax: 020- 6264451

22 juni 2000


INHOUD TOELICHTING


1.   ALGEMEEN

1.1 Aanleiding
1.2 Bestaande situatie
1.3 Vigerende bestemmingsplan

2.    PROVINCIAAL BELEID

3.   GEMEENTELIJK BELEID
3.1 Structuurvisie Schagen 2005
3.2 Woningbouwprogramma

4.   HET BESTEMMINGSPLAN
4.1 Het stedenbouwkundig plan Hoep-Noord
4.2 Programma Hoep-Noord
4.3 Verkeer, parkeren en kabels en leidingen
       4.3.1. Verkeer en parkeren
       4.3.2. Kabels en leidingen
4.4 Groen en water
       4.4.1. Groenstructuur
       4.4.2. Waterstructuur
4.5 Inrichting openbare ruimte
4.6 Richtlijnen architectuur
4.7 Sociale veiligheid

5.   MILIEU
5.1 Duurzame stedelijke ontwikkeling
5.2 Geluidhinder
5.3 Bodemkwaliteit
5.4 Milieuhinderlijke bedrijven
5.5 Archeologische waarden

6.    JURIDISCHE OPZET EN VORMGEVING
6.1 Flexibiliteit
6.2 Bijgebouwen en woninguitbreidingen
6.3 Kapvorm
6.4 Relatie met andere wetten en verordeningen

7.    ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Blz.
1T
1T
1T
1T

3T

4T
4T
4T

6T
6T
8T
8T
8T
9T
11T
11T
11T
11T
13T
13T

15T
15T
16T
17T
17T
17T

18T
18T
18T
19T
19T

22T

1 T

T 0 E L I C H T I N G

1. ALGEMEEN

1.1. Aanleiding

Het bestemmingsplan Hoep-Noord vormt de basis voor de ontwikkeling van Schagen in oostelijke richting. Samen met de ontwikkeling van Hoep-Zuid vormt het ontworpen woongebied Hoep-Noord de uitbreiding van Schagen naar het oosten, waardoor de structuur van de stad gekenmerkt wordt door een kruisvormige opbouw. Voor het woningbouwprogramma van Hoep-Noord/Zuid is aansluiting gezocht op het regionale volkshuisvestingsplan en de structuurvisie 2005 van de gemeente Schagen.

Op dit moment ligt er een ontwerpbestemmingsplan Hoep-Noord voor de meest zuidelijk gelegen 10 ha van Hoep-Noord, waarover inspraak en vooroverleg is gepleegd en dat de basis vormde voor het genoemde bestemmingsplan ten behoeve van de bouw van het zorgcentrum.

Door bureau VVK is een verkennende studie verricht naar de ontwikkelingsmogelijkheden van het gebied van Hoep-Noord, op basis waarvan bureau Wissing een stedenbouwkundig plan heeft gemaakt. Om meer eenheid te krijgen in de verschijningsvorm van de wijk Hoep-Noord is, als aanvulling op het stedenbouwkundig plan, een beeldregieplan ontwikkeld.

Het totale plan Hoep-Noord biedt ruimte aan zo'n 640 woningen, een zorgcentrum met aanleunwoningen en wat kantoorruimte wat in 4 fasen zal worden ontwikkeld.

1.2. Bestaande situatie

Het plangebied Hoep-Noord ligt aan de oostzijde van Schagen (zie afbeelding 1) en beslaat een gebied van ongeveer 30 ha. De landelijke route de Nes vormt de noordelijke begrenzing, de oostgrens van het plangebied vormt de Provinciale weg N241, de landelijke route de Hoep vormt de zuidelijke grens en de spoorverbinding tussen Alkmaar en Den Helder vormt de westgrens. Het gebruik van het gebied was weidegebied en bouwland.

Het gebied ten oosten van Schagen wordt gekenmerkt door openheid met een patroon van sloten, die afwateren in de hoofdtocht langs de Hoep. De aanwezige kenmerken van het gebied die direct van invloed zijn geweest voor de planontwikkeling zijn de landelijke verbindingsroutes de Hoep en de Nes naar het centrum. Tevens zijn diverse waterlopen en bestaande waardevolle bosschages in het gebied als leidraad gehanteerd in het concept van het stedenbouwkundig plan.

1.3. Vigerende bestemmingsplan

De bestemming van de gronden, was geregeld in het "Uitbreidingsplan in Hoofdzaken', dat is vastgesteld op 22 mei 1951 en onherroepelijk geworden door de Kroonuitspraak van 21 december 1960. In dit plan had het gebied de bestemming 'agrarische doeleinden', waarin alleen kleine agrarische bedrijfsgebouwen zijn toegestaan.


2T


3 T

2. PROVINCIAAL BELEID

In het Streekplan Noord-Holland-Noord (herz. sept. 1999) is Schagen aangemerkt als een kern met een beperkt regionale opvangtaak voor woningbouw (zie afbeelding 2). Samen met Den Helder zal Schagen het vertrek uit de Kop van Noord Holland moeten opvangen. Daartoe moeten er in Schagen in de periode 1995 - 2005 zo'n 1000 woningen worden gebouwd. Het Streekplan wijst daartoe twee uitbreidingsrichtingen aan: ten oosten en ten zuiden van de kern van Schagen. Schagen heeft deze functie gekregen omdat deze gemeente in de praktijk van oudsher al een beperkte regionale functie vervult.

Er moeten niet alleen voldoende woningen worden gebouwd, maar er moet vooral ook aandacht worden besteed aan de afstemming van nieuwbouw en woonmilieus op de vraag. Daarbij gaat het om jongere en oudere een- en tweepersoons huishoudens en eenoudergezinnen, die vaak goedkopere woonruimte zoeken, maar ook om woningzoekenden die op de duurdere vrije markt zijn georiŽnteerd.

In het algemeen kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling van Hoep-Noord, als gebiedsuitbreiding van Schagen past binnen het Streekplan Noord-Holland-Noord. Daarbij stellen de zeer hoge archeologische waarden, die rond het stedelijke gebied in ruime mate aanwezig zijn, randvoorwaarden aan deze stedelijke ontwikkeling.


4 T

3. GEMEENTELIJK BELEID

3.1. Structuurvisie Schagen 2005

In de Structuurvisie 2005 van de gemeente Schagen (juli 1997) zijn de mogelijkheden voor de toekomstige bevolkingsontwikkeling bestudeerd. De uitkomsten daarvan geven aan dat er voor de toekomst geen grote veranderingen in het inwoneraantal is te verwachten. Het Streekplan en het Structuurplan 1 974 wijzen zowel Muggenburg-Zuid en Nes-Noord als het gebied van Hoep-Zuid en -Noord aan als mogelijke stadsuitbreiding. In de Structuurvisie 2005 (zie afbeelding 3) zijn de mogelijkheden opnieuw beoordeeld, rekening houdend met de aangescherpte eisen ten aanzien van de landschappelijke en cultuurhistorische waarde van het landschap rond Schagen. Doordat Hoep-Noord zich dicht bij het stadscentrum en de stedelijke voorzieningen, zoals het station en het streekbusstation bevindt, heeft de locatie Hoep-Noord, als uitbreidingslocatie, de voorkeur gekregen. De locatie Muggenburg-Zuid blijft dan beschikbaar voor eventueel snellere of latere ontwikkelingen. Na de realisering van Hoep-Noord, komt het gebied ten noorden van de Nes ook in aanmerking voor ontwikkeling.

3.2 Woningbouwprogramma

Het inwoneraantal van Schagen is in de laatste jaren licht toegenomen (circa 17.000 inwoners in 1995). In de Structuurvisie Schagen 2005 is gekozen voor een ontwikkeling volgens het model 'beperkte groei' (ca. 18.400 inwoners in 2005). Bij deze geringe groei is er nog wel sprake van een voortgaande verlaging van de gemiddelde woningbezetting als gevolg van 'gezinsverdunning'. Om daaraan tegemoet te komen is toch een redelijk omvangrijk woningbouwprogramma noodzakelijk gebleken. De regionale woningbouwtaakstelling zal waarschijnlijk uitkomen op zo'n 1.100 woningen voor de periode 1995-2005. De gemeente wil ruimte houden voor een kleine verruiming van het vestigingsoverschot, waardoor een uitloop van het programma naar 1.300 woningen gewenst is.

Gelet op de bevolkingssamenstelling en de lijst woningzoekenden, moet in het woningbouwprogramma in ieder geval gebouwd worden in de sociale sector, voor senioren en starters. Uitgangspunt is een woningproductie van 110 woningen per jaar, maar vanwege het aantal woningzoekenden van circa 300 zal in het begin een verhoogde productie van woningen noodzakelijk zijn.


5T


6 T

4. HET BESTEMMINGSPLAN

4.l. Het stedenbouwkundig plan Hoep-Noord

De hoofdopzet van het stedenbouwkundig plan (zie afbeelding 4) is geŽnt op een samenhangend geheel van ontwerpdragers, waaraan verschillende woontypologieŽn gekoppeld kunnen worden.

Structuurbepalende elementen:
De volgende structuurbepalende ontwerpdragers hebben aan het ontwerp ten grondslag gelegen:

Het hart van de wijk wordt gevormd door de terp (ofwel de vliedberg), een groene openbare ruimte, als hoofdstructuurdragend element van de wijk. Deze terp maakt onderdeel uit van de centraal door het plan lopende groene zone, die verschillende delen van de oostflank van Schagen met elkaar verbindt. Parallel aan de terpzone ligt de Vliedlaan ' de groene verbindingsader van de wijk. Deze laan vormt de hoofd ontsluitingsroute in de wijk en vormt de tweede belangrijke structuurdrager.

De randen:
In de randen komen de symbiose tussen het plan en de gebouwde omgeving het sterkst tot uiting. Hier bevinden zich de speciale woningtypes, zoals de woningen in aansluiting op de ecologische zone in het westen en de geluidswoningen in het oosten van het plangebied. Maar ook de noordelijke rand van het plan, in aansluiting op de Nes is een voorbeeld van de symbiose tussen het plan en de gebouwde omgeving.

Ruimtelijke structuur:
In het gehele plan wordt het gebogen stratenpatroon versterkt door de bebouwingsvlakken, waarbij de belangrijkste ruimtes worden begeleid door de bebouwing. De dwars door het plangebied lopende fietsverbinding, die op de kerk van Schagen is georiŽnteerd snijdt door een aantal gebogen wanden. Het inmiddels gerealiseerde Woonzorgcomplex wordt in het stedenbouwkundig plan ingekaderd. Door middel van gestapelde bebouwing wordt een aansluiting gezocht op de grillige vorm van het oostelijke deel van het complex.

Stedenbouwkundige eenheden:
Binnen de hoofdopzet van de wijk is er een aantal stedenbouwkundige eenheden (zie afbeelding 5) te benoemen. Deze eenheden verwoorden een herkenbare samenhang in sfeer en beeld. Deze eenheden dienen als leidraad voor verdere uitwerking, zowel voor de architectuur als voor de inrichting van de openbare ruimte. Afstemming tussen de stedenbouwkundige structuur, de architectuur en de inrichting van de openbare ruimte is hierbij de eerste prioriteit. Aan de hand van deze stedenbouwkundige eenheden worden architectenclusters vastgesteld, welke deels overlappend en deels verschillend zijn ten opzichte van de vastgestelde stedenbouwkundige eenheden.


7T


8 T

4.2. Programma Hoep-Noord

Het programma bestaat voor het grootste gedeelte uit woningen, gedifferentieerd naar verschillende woningtypes en financieringscategorieen. De verdeling naar type en grootte is volgens onderstaande tabel als volgt:

  Wonintype Gestapelde/
grong gebonden
Kavelbreedte Aanta %
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
Soc. Huur
Soc. Koop
Soc. Koop
Vs rij
Vs rij
Vs rij
2/1 kap, type 1
2/1 kap, type 2
2/1 kap, type 3
2/1 kap, type 4
vrijstaand
Gestapeld
Gestapeld
Egw
Egw
Egw
Geluidwoning
Egw
Egw
Egw
Egw
Egw
--
--
5,1-5,4
5,1
6,0
6,0
7,2
8,5
10,0
11,0
15,0
65
21
76
18
76
50
69
78
61
98
28
10,2
3,3
11,9
2,8
11,9
7,8
10,8
12,2
9,5
15,3
4,3
  Totaal     640 100

Het plangebied heeft een grootte van ca 29,26 ha en heeft een woningdichtheid van omstreeks 35 woningen per ha (bebouwingsdichtheid van 39,2%.). Hierdoor wordt aan het kenmerk van 'stadswonen') met een redelijk hoge woningdichtheid voldaan.

Daarnaast bevat het plan een zorgeenheid met 107 eenheden en 62 aanleunwoningen en 34
appartementen in de vrije sectorklasse.

4.3. Verkeer, parkeren en kabels en leidingen

4.3.1 Verkeer en parkeren:

Auto (zie afbeelding 6):
Bij de opzet van ontsluiting van de wijk Hoep-Noord is gekozen voor een heldere eenvoudige ontsluitingsstructuur, teneinde versnippering van de openbare ruimte te voorkomen. De centrale parkweg, de Vliedlaan, vormt de hoofdontsluiting van de wijk. Aan weerszijden van deze weg zijn lussen gekoppeld die de verschillende buurten ontsluiten. Uitgangspunten voor het gehele woongebied Hoep-Noord is dat een maximumsnelheid van 30 km wordt gehandhaafd. Als middel om dit af te dwingen, worden op de belangrijkste
kruispunten in de buurten verkeersdrempels geplaatst.

Langzaam verkeer (zie afbeelding 6):
De centraal door het plangebied lopende as, die op de kerk van Schagen is georiŽnteerd, vormt een directe fietsverbinding met het centrum. Deze route doorsnijdt het groengebied van de terp, centraal in de wijk. Via een tunnel onder de spoorlijn wordt sluit deze route aan op de Beethovenlaan.


9T

De bestaande landelijke wegen hebben een ontsluitingsfunctie voor de aanliggende bebouwing en zijn tevens van belang voor het (recreatieve) fietsverkeer. De Hoep zal nadrukkelijk als langzaam verkeersroute worden ingericht, door in het uiterste scenario de weg af te sluiten voor autoverkeer vanaf de provinciale weg. Hierdoor verliest deze weg zijn functie als auto-ontsluitingsroute voor Hoep-Noord. Het noord-zuid georiŽnteerde voetpad, dat centraal door de wijk loopt, is direct gekoppeld met de groene openbare ruimte. Zo heeft dit pad een recreatief karakter.

Parkeren (zie afbeelding 7):
Bij het bepalen van de parkeerbehoefte is een gemiddelde norm gehanteerd van 1,4 parkeerplaats per woning en bij grondgebonden woningen (voor gestapelde bouw) wordt met 110 parkeerplaats per woning gerekend. Voor een garage met opstelplaats of een tuinparkeerplaats kan hierop 1,0 parkeerplaats in mindering worden gebracht. In de woonbuurten zijn, afhankelijk van de bebouwingsdichtheid, parkeerstraten met dwars parkeren of woonstraten met langs parkeren geprojecteerd. De intensiteit van het aantal parkeerplaatsen neemt af van het zuidelijk gelegen gedeelte van de wijk, waar de bebouwingsdichtheid het grootst is, naar het noordelijk gelegen gedeelte met een lagere bebouwingsdichtheid en kavels, waar het parkeren op eigen terrein is opgelost.

4.3.2 Kabels en leidingen

De uiteindelijke plaatsing en vormgeving van nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes zal in de uitwerking van het plan tot stand komen. Uitgangspunt hierbij is dat deze op een stedenbouwkundig verantwoorde manier worden geÔntegreerd in de wijk. Voor de aan te brengen kabels en leidingen van diverse nutsbedrijven wordt aan een zijde van de weg een kabels- en leidingenstrook van 2 meter gereserveerd. Langs de hoofdinfrastructuur kan zonodig aan beide zijden een strook van 2 meter voor dit doel worden gebruikt.


10T


Afbeelding 5 Stedenbouwkundige Eenheden


afbeelding 6   Ontsluitingsstructuur


afbeelding 7   Parkeren


11 T

4.4. Groen en water

4.4.1. Groenstructuur ( afbeelding 8):
Bij de opzet van de wijk is gekozen voor een structuur van woonbuurten, die door groenvlakken van elkaar worden gescheiden. De centraal in de wijk gelegen groene ruimte (de terp) heeft hierbij naast een recreatieve functie ook een duidelijk ecologische functie omdat deze, samen met wigvormige groene ruimte in het oostelijke deel van de wijk, de overgang vormt tussen het open weidegebied naar de oude binnenstad. Deze groengebieden stralen een parkachtige sfeer uit.
Voor de bomenstructuur is als leidraad gehanteerd dat de aanwezigheid van bomen ervoor zorgt dat een straat met lange gevels niet geheel als stenige ruimte wordt ervaren. Daarom is er bij de planopzet gekozen om in het straatprofiel om de vier parkeerplaatsen een boom op te nemen. Hierdoor ontstaat een visueel geledingelement dat de stedenbouwkundige structuur ondersteunt. Het groene beeld van de wijk wordt, naast de straatbomen en solitairbomen, extra geaccentueerd door in voortuinen hagen te planten. De overige middelen die zijn ingezet om Hoep-Noord een groene uitstraling te geven zijn gras en bodembedekkende beplanting.

4.4.2. Waterstructuur (afbeelding 9),
De waterstructuur is gebaseerd op de bestaande watergangen en een aantal nieuwe watergangen. Uitgangspunt hierbij is gebiedseigen water. Langs het spoor en langs de centraal in het plangebied liggende groene ruimte is water gepland. Op de overgang tussen de wijk en de binnenstad komt een ecologische zone, waar waterberging plaatsvindt en water in de bodem kan infiltreren. Gekozen is voor een zachte oeverafwerking, waardoor de begrenzing tussen de woning en de openbare ruimte op een natuurlijke wijze wordt begrensd.

4.5. Inrichting openbare ruimte

De inrichting van de openbare ruimte levert een bijdrage aan een kwalitatief hoogwaardig woonmilieu en een herkenbaar beeld. De middelen, die zijn ingezet om dit streven te verwezenlijken zijn:

Uitgangspunt hierbij is eenheid binnen Hoep-Noord in de profielindeling (zie Afbeelding 10) De openbare verlichting en het straatmeubilair en diversiteit in andere inrichtingselementen (zoals beplanting), zodat de verschillen en karakteristieken per plandeel beter tot uiting komen.


13T

Overige uitgangspunten voor de inrichting van de openbare ruimte zijn:

4.6. Richtlijnen architectuur

Doordat een aantrekkelijk woonmilieu mede ontleend zal worden aan een sprekende en zorgvuldig gekozen architectonische behandeling van individuele gebouwen en van de gebouwde begrenzing van de openbare ruimte, vormt de architectuur van de gebouwen een essentieel onderdeel van de ruimtelijke kwaliteit.

De richtlijnen voor de bebouwing spitsen zich toe op de architectonische uitdrukking, de groot- en bouwhoogten, de dakvorm en -richting, secundaire toevoegingen, erfafscheidingen en het kleur- en materiaalgebruik.

4.7. Sociale veiligheid

Openbare verlichting
Het belangrijkste uitgangspunt bij de plaatsing en keuze voor de armaturen is het doelmatig verlichten van de openbare ruimte. Het politiekeurmerk veilig wonen kan hierbij een goede leidraad zijn, uit oogpunt van sociale veiligheid en het beperken van de inbraak gevoeligheid van de wijk.

Politiekeurmerk veiliq wonen
Het doel van dit keurmerk is om door een zorgvuldig ontwerp en beheer van de gebouwde omgeving de kans op woninginbraken zoveel mogelijk te verminderen. Daarbij wil het keurmerk bijdragen aan een verbetering van de sociale veiligheid in semi-openbare ruimten en de directe woonomgeving. Te denken valt aan zowel het terugdringen van vormen van overlast en delicten (zoals diefstal van of uit auto 's, fietsendiefstal en vandalisme) als aan het verminderen van gevoelens van onveiligheid.

Het Politiekeurmerk Veilig wonen koppelt daartoe een helder eisenpakket, dat vanaf het eerste begin van de planontwikkeling als leidraad kan worden gebruikt, aan een keurmerk dat (de bewoners) garandeert dat ook daadwerkelijk met de eisen rekening is gehouden. De ervaring van de politie en uitkomsten van criminaliteitsonderzoek zijn in dit eisenpakket verwerkt en toegespitst op het ontwikkeling- en bouwproces. Het eisenpakket dat ten grondslag ligt aan het keurmerk bestaat uit vier categorie namelijk:

Voor het plan Hoep-Noord zijn de belangrijkste onderdelen samengevat en in de bijlage aan het plan toegevoegd. (notitie webmaster Hoep Noord deze ontbreken in de bijlage)


14T


afbeelding 10   Profielen


15 T

5. MILIEU

5.1. Duurzame stedelijke ontwikkeling

De wijk Hoep-Noord is aangemerkt als een milieuvriendelijke wijk. Daarbij wordt gestreefd te komen tot minstens het niveau van het "gecorrigeerd normaal verbruik'. Dit houdt in dat voor alle ontwerpen, voor de bouw, voor de inrichting en voor het beheer streefwaarden worden vastgesteld die minstens een stap milieuverantwoord zijn dan de normale situatie.

Hierbij worden de volgende doelstellingen nagestreefd:

Ecologie
De potentiŽle waarde van een gebied kan worden afgeleid uit de natuurwaarde. Natuurwaarde ontstaat vooral daar waar veel variatie in het milieu aanwezig is. In Hoep-Noord komt dit vooral tot uiting in de ecologische betekenis van het water in de wijk. Met name aan de overgang nat/droog zullen duidelijke richtlijnen gesteld moeten worden om aan de (individuele) invulling van deze zone gestalte te geven. Variatie in het a-biotische milieu is een belangrijke voorwaarde voor een afwisselende begroeiing en daarmee samenhangende gevarieerde fauna. Voor het realiseren van natuurwaarden gelden ten slotte de volgende richtlijnen:

Water
De wijk Hoep-Noord gaat milieubewust met water om. Uitgangspunt hierbij is dat het gebiedseigen water zoveel mogelijk in de wijk wordt vast gehouden. Bij de opzet van de wijk komt dit tot uiting door de waterstructuur zoveel mogelijk af te stemmen op de bestaande watergangen in het gebied. Op de overgang tussen de wijk en de binnenstad komt een ecologische zone, waar waterberging plaatsvindt en water in de bodem kan infiltreren. Op de plekken, waar woningen aan de westrand van Hoep-Noord met hun achterzijden aan het water grenzen, is gekozen voor een zachte oeverafwerking. Daardoor vindt de begrenzing tussen woning en de openbare ruimte op een natuurlijke wijze plaats.


16 T

Zongerichte oriŽntatie
Aan een optimale op de zon gerichte verkaveling worden de volgende eisen gesteld: door de warmtebehoevende ruimten van de woningen op het zuiden te richten, het toepassen van grote glasoppervlakten op het zuiden en kleine op het noorden, wordt getracht het energieverbruik laag te houden (passieve zonne-energie). Voor woningen met een voorgevel op het noorden is de toepassing van actieve zonne-energie een mogelijkheid (indien een dakvlak op het zuiden is gericht).

Uit de verkaveling is af te leiden dat maar een beperkt aantal woningen optimaal ten opzichte van de zon georiŽnteerd zijn. Hierdoor valt te concluderen dat, uit oogpunt van bezonning, de verkaveling van Hoep-Noord niet optimaal is.

Woningen
Bij de woningbouw zijn verschillende mogelijkheden aanwezig om duurzaamheid te verhogen:

5.2. Geluidhinder

De Provinciale weg N241 ten oosten, en de spoorlijn Alkmaar - Den Helder ten westen van de wijk zijn potentiŽle bronnen voor wegverkeerslawaai.

Uit het, door de afdeling Openbare Werken, uitgevoerde Akoestisch onderzoek (Hoep-Noord, 1997) is te concluderen dat de 50 dB(A)-contour op circa 140 meter uit de as van de N241 ligt. Omdat dit zou leiden tot een onaanvaardbaar verlies aan capaciteit in het gebied, is langs de Provinciale weg in de oostzijde van het plan gekozen voor een woningtype dat fungeert als geluidsafschermende wand (de geluidwoningen). Voor deze woningen zal bij de provincie een verzoek hogere grenswaarden ingediend moeten worden (max. 4 dB(A)). De 60 dB(A)-geluidscontour als gevolg van railverkeer bevindt zich op circa 45 meter uit de spoorbaan. Dit jaar zal de grenswaarde vanwege spoorweggeluid met circa 2 dB(A) worden teruggebracht. Of dit consequenties heeft voor het bestemmingsplan, is onderwerp van nader overleg met de provincie.


17 T

5.3. Bodemkwaliteit

De gronden in Hoep-Noord worden zodanig bouwrijp gemaakt dat ze geschikt zijn voor woondoeleinden. Een en ander is nader omschreven in het Evaluatierapport. De belangrijkste conclusies uit dit rapport zijn opgenomen in bijlage 3.

Gedeputeerde staten hebben een beschikking afgegeven waarin is vastgesteld dat in het plangebied geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, zodat geen saneringsnoodzaak aanwezig is.

5.4. Milieuhinderlijke bedrijven

Binnen het plangebied vinden geen milieuhinderlijke bedrijfsactiviteiten plaats. In de directe omgeving
van het woongebied aan de Hoep is een loonbedrijf aanwezig. Het bedrijf is zodanig gesitueerd dat er
sprake is van geluidsoverlast. Door het nemen van geluidswerende maatregelen, in de vorm van een
geluidsscherm, zal het geluidsniveau onder de wettelijke norm blijven.

5.5. Archeologische waarden

In opdracht van de gemeente Schagen heeft archeologisch adviesbureau RAAP in oktober 1 997 een karterend archeologisch onderzoek uitgevoerd in plangebied Nes-Hoep (zie afbeelding 11). Het doel van dit onderzoek was zekerheid te krijgen over de aan- of afwezigheid van archeologische vindplaatsen in het plangebied. Het karterend onderzoek heeft verscheidene archeologische vindplaatsen aan het licht gebracht. Een daarvan dateert uit de Prehistorie, waarschijnlijk de IJzertijd/inheems-Romeinse tijd en is ontdekt door middel van booronderzoek. De overige vindplaatsen dateren alle uit de Middeleeuwen. Zij liggen in een zone langs de Nesdijk.

In januari 1998 heeft een waarderend onderzoek plaats gevonden, waarbij de gaafheid, de conserveringstoestand, diepte, datering en omvang van de vindplaats zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen. De conclusie uit dit onderzoek is dat ter plaatse van de wijk Hoep-Noord niet de kern van de nederzettingen hebben gelegen, maar meer naar het westen, onder het huidige Schagen. In de zone met laat-middeleeuwse vindplaatsen langs de Nesdijk heeft het waarderend onderzoek de conclusie uit het karterend onderzoek versterkt. In de gehele zone zijn sporen van bewoning aangetroffen, in de vorm van vondstmateriaal aan het oppervlak en/of ophogingslagen in de boor.

Geadviseerd wordt de zone, met de geregistreerde terreinen van zeer hoge archeologische waarde, in het plangebied op te nemen en te bestemmen met een groenbestemming. Hierdoor blijft de cultuurlandschappelijke waarde in samenhang met andere landschapselementen behouden. Daarnaast wordt geadviseerd dat toekomstige inrichting van het gebied of bouwwerkzaamheden ten allen tijde onder archeologische begeleiding moet plaatsvinden. Hierdoor is al in een vroeg stadium bekend of en in welke mate er archeologische sporen aanwezig zijn. Zowel op de plankaart als in de voorschriften (via een aanlegvergunningstelsel) is aandacht besteed aan de archeologische waarde, waardoor het gebied een zekere beschermende status heeft gekregen.


18 T

6. JURIDISCHE OPZET EN VORMGEVING

6.1. Flexibiliteit

De hoofdstructuur en de eindvorm van het plan liggen vast. De begrenzing tussen openbaar gebied en het woongebied is gedetailleerd geregeld (middels het beeldregieplan), waarbij via een vrijstellingsmogelijkheid verschuivingen zijn toegestaan. De woonbestemmingen zelf zijn in het beeldregieplan vrij gedetailleerd aangegeven. Door de gekozen planvorm wordt voorkomen dat bij wijzigingen in de vraag/behoefte steeds het plan moet worden gewijzigd. Op deze manier kan flexibel worden ingespeeld op veranderingen, terwijl toch de hoofdvorm van het plan gehandhaafd blijft.

De flexibiliteit krijgt op een aantal manieren gestalte. In de eerste plaats zijn voor de woningen op de plankaart geen stringente situeringseisen aangegeven. De bestemmingsvlakken voor 'woningen met tuinen en erven' zijn hoofdzakelijk verdeeld in een gearceerd en een niet-gearceerd deel. Voor gestapelde woningen is binnen het gearceerde deel aangegeven welk bebouwingspercentage en welke maximale hoogte is toegestaan. Voor niet gestapelde woningen mogen binnen de gearceerde vlakken woningen met uitbreidingen en bijgebouwen worden gerealiseerd, daarbuiten niet. Buiten deze gearceerde vlakken zijn woninguitbreidingen alleen mogelijk middels een vrijstelling. De gearceerde vlakken bieden voldoende flexibiliteit dat er, binnen de hoofdopzet van de wijk, nog verschillende verkavelingen mogelijk zijn.

Enige sturing wordt verkregen doordat voorgevels naar de op de kaart aangegeven voorgevelreferentielijnen moeten worden gericht. In artikel 13 is een vrijstellingsbevoegdheid opgenomen, die het mogelijk maakt te schuiven met de grenzen van de bestemmingen 'woningen met tuinen en erven', 'groenvoorzieningen', openbare buitenruimte' en 'water'. Deze verschuivingen mogen echter slechts van ondergeschikte aard zijn.

6.2. Bijgebouwen en woninguitbreidingen

Voor bijgebouwen geldt de standaardregel, dat tot 1/3 deel van het gearceerde gedeelte van het perceel met een maximum van 120 m2, exclusief de woning, mag worden bebouwd. Ten opzichte van het openbaar gebied kunnen bijgebouwen en woninguitbreidingen worden gebouwd, met dien verstande dat een bepaalde afstand in acht moet worden genomen. Uitgangspunt hierbij is dat vrijstelling moet kunnen worden verleend indien aangetoond kan worden dat de kwaliteit van de omgeving niet wordt aangetast.

Bij rijenwoningen dient het bijgebouw in de achterperceelsgrens te worden geplaatst. Woning-aanbouwen kunnen aan de achter- en zijgevel plaatsvinden. Standaard is zowel een diepte als een breedte van 3 m toegestaan, mits een bebouwingsvrije zone van minimaal 5 meter tussen deze zone en de achterste perceelsgrens gerespecteerd wordt (zie afbeelding 12). Om te voorkomen dat vrijstaande bebouwing aan elkaar groeit, is een bepaling opgenomen dat ten opzichte van een van beide zijden tot een afstand van 2 meter uit de zijdelingse perceelgrens geen woninguitbreidingen en bijgebouwen zijn toegestaan.


19T

Ten aanzien van de keuze omtrent de zijde die vrij moet blijven van bebouwing en ter voorkoming van verdere onevenredige aantasting van de gebruiks- en genotmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en het ruimtelijk beeld in het plangebied, kunnen aan de situering van woninguitbreidingen en bijgebouwen nadere eisen worden gesteld. Daarbij valt te denken aan plaats, hoogte en materiaalgebruik van de woninguitbreiding of het bijgebouw.

6.3 Kapvorm

In het plan zijn zowel kappen als platte daken toegestaan. Bij platte daken worden bij grondgebonden woningen wel nadere eisen gesteld aan de vormgeving van de derde bouwlaag. In het beeldregieplan is een paragraaf opgenomen, die geweid is aan dakvormen de dakrichting (zie afbeelding 13). Daarbij is de plek van het gebouw in haar omgeving uitgangspunt bij de keuze van de kapvorm van de bebouwing. Zo begeleidt een kap die parallel aan de structuur van de openbare ruimte ligt, de ruimte in directe zin, terwijl een kap die loodrecht op de openbare ruimte is gericht de ruimte meer accentueert. In de voorschriften wordt per woningtype geregeld wat de maximale goot- en nokhoogte en de maximale dakhelling.

6.4. Relatie met andere wetten en verordeningen

Doel van het bestemmingsplan is een planologische regeling te geven voor een bepaald gebied. Naast het bestemmingsplan gelden echter nog vele andere wettelijke regelingen voor dat gebied. De wettelijke regelingen hebben veelal een geheel ander doel dat het bestemmingsplan. Dit betekent dat deze wetgeving naast het bestemmingsplan blijft staan en van toepassing is. Het bestemmingsplan laat deze wettelijke regelingen derhalve onverlet. Een en ander betekent in de praktijk wel dat bij het opstellen aan het bestemmingsplan bezien dient te worden in hoeverre die ruimtelijke relevante wetgeving van invloed kan zijn op de inrichting van het bestemmingsplan. Anderzijds brengt deze wetgeving met zich mee dat, indien het bestemmingsplan een bepaalde handeling toelaat, het zeer wel denkbaar is dat uit hoofde van een andere regeling deze handeling niet toelaatbaar is of dat voor die handeling eerst nog een ontheffing in het kader van die andere regeling noodzakelijk is. Aan hetgeen hierin is geregeld kan het bestemmingsplan niets toe- of afdoen zodat, wanneer in het bestemmingsplan de bouw van bepaalde bouwwerken op planologische gronden mogelijk is gemaakt, bijvoorbeeld de Keur van het waterschap die bouw nog aan een ontheffing kan binden in het belang van de waterhuishouding.


20T


21T


22 T

7. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

In September 1998 is door het ingenieursbureau Oranjewoud onderzoek gedaan naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. De resultaten hiervan zijn neergelegd in de exploitatieopzet. De uitkomst van de exploitatieopzet toont een positief saldo. Deze exploitatie is afgedekt door middel van een samenwerkingsovereenkomst met VOF.

22 juni 2000


INHOUD VOORSCHRIFTEN
Blz.
HOOFDSTUK 1: INLEIDENDE BEPALINGEN
art.
art.
1
2
Begripsbepalingen
Wijze van meten
1V
3V
HOOFDSTUK II: BESTEMMINGSBEPALINGEN

A. Gemengde doeleinden
art
.
3
Gemende Doeleinden (GD)
4V
B. Woondoeleinden
art.
4
Woningen met tuinen en erven (We t/m Wc)
5V
C. Bedrijfsdoeleinden
art. 
5
Kantoor en Showroom
8V
D. Nutsdoeleinden
art.
art.
6
7
Groenvoorziening
Water
9V
9V
E. Maatschappelijke doeleinden
art.
8
Maatschappelijke voorzieningen (woonzorgcomplex)
10V
F. Verkeersdoeleinden
art.
art.
9
10
Openbare buitenruimte
Wegen
11V
11V
HOOFDSTUK III: UIT TE WERKEN BESTEMMING

G. Woondoeleinden
art.
11
Woongebied 
12V
HOOFDSTUK IV: ALGEMENE BEPALINGEN
art.
art.
art.
art.
art.
art.
art.

 

 

12
13
14
15
16
17
18

 

 

Bescherming archeologische waarden
Algemene begripsbepaling
Algemene vrijstellingen
Procedure bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid
Overgangsbepaling
Strafbepaling
 Slotbepaling

 

 

14V
16V
16V
16V
17V
18V
18V

 

 


1V

V 0 0 R S C H R I F T E N

HOOFDSTUK 1: INLEIDENDE BEPALINGEN

art. 1 BEGRIPSBEPALINGEN

In deze voorschriften wordt verstaan onder:

  1. plan:
    het bestemmingsplan "Hoep-Noord", vervat in de kaart en deze voorschriften;
  2. kaart:
    de kaart, met nummer 101491-0032-01, waarop de bestemmingen van de in het plan begrepen
    gronden zijn aangewezen;
  3. bestemmingsvlak:
    een op de kaart door bestemmingsgrenzen omsloten vlak, waarmee gronden zijn aangegeven
    met eenzelfde bestemming;
  4. bestemmingsgrens:
    een op de kaart aangegeven lijn, die de grens aanduidt van een bestemmingsvlak;
  5. bouwen:
    het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten
    van een bouwwerk;
  6. bouwwerk:
    elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct,
    hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
  7. gebouw:
    elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met
    wanden omsloten ruimte vormt;
  8. bijgebouw:
    een gebouw, behorende bij een op het zelfde perceel gelegen hoofdgebouw dat in functioneel en
    bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan dat hoofdgebouw en dat zich daarvan visueel
    onderscheidt;
  9. hoofdgebouw:
    een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste
    bouwwerk valt aan te merken;
  10. woninguitbreiding:
    bouwwerken aan zij- of achtergevel van een woning ten dienste van een groter genot van het
    gebruik van het hoofdgebouw, i.c. de woning;

2V

  1. bebouwingsgrens:
    een op de kaart aangegeven lijn welke door bebouwing niet mag worden overschreden, tenzij in de
    voorschriften anders is bepaald. Waar in de voorschriften wordt gesproken van
    voorgevelreferentielijnen, dienen deze gelijkgesteld te worden met het begrip bebouwingsgrens,
    dat wil zeggen dat deze lijn niet door bebouwing overschreden mag worden;
  2. bouwperceel:
    een aaneengesioten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bebouwing is
    toegestaan;
  3. perceeigrens:
    een grens van een bouwperceel;
  4. peil:
    de door burgemeester en wethouders vastgestelde hoogte van de weg ter plaatse van de
    hoofdtoegang van een gebouw, of indien de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst, de
    hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  5. woning:
    een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van 66n huishouden;
  6. woongebouw:
    een gebouw, dat uit twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen bestaat.
  7. beroepsuitoefening aan huis:
    het uitoefenen van een vrij en zelfstandig beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op
    administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, educatief, kunstzinnig, technisch gebied of
    daarmee gelijk te stellen activiteiten, niet zijnde detailhandel, waarbij de woning in hoofdzaak haar
    woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie
    in overeenstemming is;
  8. kantoor- of praktijkruimte:
    a. een onderdeel van een woning, of een uitbreiding daarvan, dan wel een bijgebouw, waarin
        beroepsuitoefening aan huis wordt uitgeoefend;
    b. een gebouw waarin beroepsmatig diensten worden verleend op medisch of therapeutisch
        gebied of daarmee gelijk te stellen activiteiten;
  9. straatmeubilair:
    de op of bij de weg behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals verkeerstekens,
    wegbebakeningen, bewegwijzeringen, verlichting, halteaanduidingen, parkeerregulerende
    constructies, brandkranen, informatie- en reclameconstructies, rijwielstandaards, papierbakken,
    zitbanken, plantenbakken, communicatievoorzieningen en gedenktekens en kunstwerken.

2. Waar in dit plan verwezen wordt naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid
op die wettelijke regelingen, zoals deze luidden op het moment van het ter inzage leggen van het
ontwerp van dit plan.


3V

art. 2 WIJZE VAN METEN

Bij de toepassing van deze voorschriften wordt als volgt gemeten:

  1. breedte en diepte van gebouwen:
    tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of tot het hart van scheidsmuren;
  2. oppervlakte van gebouwen:
    tussen de buitenwerkse gevelvlakken en de harten van scheidsmuren;
  3. goothoogte van gebouwen:
    vanaf het peil tot de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord of een
    daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
  4. (bouw/nok)hoogte van bouwwerken:
    van het hoogste punt tot aan het gemiddelde peil van het aansluitende afgewerkte
    bouwperceel, met dien verstande, dat antennes, schoorstenen, lichtkappen, liftopbouwen
    en andere technische installaties niet meegerekend worden;
  5. inhoud van gebouwen:
    tussen buitenwerkse gevelvlakken, harten van scheidsmuren, buitenzijden van
    dakvlakken, erkers en dakkapellen en bovenzijde van beganegrondvloeren;

4V

HOOFDSTUK II: BESTEMMINGSBEPALINGEN

A. Gemengde doeleinden

art. 3 GEMENGDE DOELEINDEN (GD)

1 . Bestemmingsomschrijving
Deze gronden zijn bestemd voor:

  1. gebouwen ten behoeve van kleinschalige kantoorfuncties,alsmede voor woningen
    met de daarbij behorende bouwwerken en tuinen en erven;
  2. groenvoorzieningen en water;
  3. voet- en fietspaden, wegen en parkeerplaatsen;
  4. nutsvoorzieningen;
  5. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder straatmeubilair;

2. lnrichtings- en bebouwingsnonnen

a. lndeling van de bestemmingsviakken

  1. Op gronden met een kruisarcering mogen woningen, woninguitbreidingen,
    bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
  2. Op gronden zonder arcering mogen slechts bouwwerken, geen gebouwen
    zijnde, worden gebouwd.

b. Regels voor gebouwen

  1. Het bebouwingspercentage van de voor bebouwing bestemde gronden mag niet
    meer bedragen dan op de kaart staat aangegeven.
  2. De hoogte mag niet meer bedragen dan op de kaart staat aangegeven, met
    uitzondering van vrijstaande bijgebouwen, waarvan de goot- en nokhoogte niet
    meer mogen bedragen dan respectievelijk 3 m en 6 m.
  3. Bij de op de kaart aangegeven gebouwen met het teken is een
    geÔntegreerde geluidswering toegestaan.

c. Regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde

  1. De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2 m
    bedragen, met uitzondering van erfafscheidingen voor de voorgevel, waarvan de
    hoogte niet meer dan 1 m mag bedragen, en palen en masten, waarvan de hoogte
    niet meer dan 6 m mag bedragen.

3. Gebruiksregels

Tot een verboden gebruik van deze gronden, zoals bedoeld in artikel 13 eerste lid, wordt in ieder geval gerekend:

  1. het gebruik van gronden en bouwwerken als opslag-, los- en/of laadplaats ten
    behoeve van handelsdoeleinden;
  2. het gebruik van gronden als stallingsplaats voor boten met een grotere hoogte dan 1 m en toercaravans.

Tot hier is layout gecontroleerd (20-02-01)


5V

B. Woondoeleinden

art. 4 WONINGEN MET TUINEN EN ERVEN (Wa t/m Wc)

1 . Bestemmingsomschrijving
Deze gronden zijn bestemd voor woningen met de daarbij behorende bouwwerken
en tuinen en erven.

2. lnrichtings- en bebouwingsnormen
a. Indeling van de bestemmingsvlakken
1 . Op gronden met een kruisarcering mogen woningen, woninguitbreidingen,
bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
2. Op gronden zonder arcering mogen slechts bouwwerken, geen gebouwen
zijnde, worden gebouwd.
3. Van de gronden gelegen achter de voorgevelreferentielijn moet minstens
60% onbebouwd blijven.

b. Regels voor woningen
1 . Uitsluitend niet-gestapelde woningen mogen worden gebouwd.
2. Het aantal aaneen te bouwen woningen bedraagt per categorie:
ē Wa : alle aaneen; aismede Wa ?:woningen met geinte-
greerde geluidswering;
ē Wb : twee aaneen;
ē Wc : vrijstaand.
3. De maatvoering van diepte, goothoogte, nokhoogte en dakhelling mogen
niet meer bedragen dan in het onderstaand schema is aangegeven.

CATEGORIE DIEPTE GOOT- HOOGTE NOK- HOOGTE DAK- HELLING INHOUD
max
in meters
max
in meters
max
in meters
max
in graden
max
in m3
Wa 12.00 9.00 9.00 0 500
Wa 10.00 8.00 13.00 60 450
Wb 12.00 8.00 13.00 60 500
Wc 12.00 6.00 11.00 60 550

4 . De voorgevel moet gekeerd worden naar de op de kaart aangegeven voorgevelreferentielijn en mag tot niet meer dan 3 m achter de voorgevelreferentielijn worden gebouwd.

5. De afstand tot de zijdelingse perceelgrens geldt bij woningen uit de categorie Wb en Wc uitsluitend ten aanzien van de vrijstaande zijde van de woning en mag niet minder bedragen dan 3 m . 


6 V

c. Woninguitbreidingen Woninguitbreidingen mogen:
1 . aan de achterzijde van het hoofdgebouw worden aangebouwd tot een diepte van 3 m,
mits daarachter een bebouwingsvrije ruimte met een diepte die niet minder mag
bedragen dan 5 m.
2. aan de voorgevel mogen erkers en hoofdingangen worden aangebouwd, voor zover de
voorgevelreferentielijn niet wordt overschreden;
3. aan de zijgevel op niet minder dan 3 m achter het verlengde van de voorgevel worden
aangebouwd. De breedte mag niet meer bedragen dan 1 m, met dien verstande dat bij
categorie Wa en Wb de afstand tot de zijdelingse perceeisgrens niet minder mag
bedragen dan 2 m en dat bij categorie Wc aan ddn van beide zijden de afstand tot de
zijdelingse perceelgrens niet minder mag bedragen dan 3 m;
4. omtrent de diepte vanuit de achtergevel respectievelijk de breedte vanuit de zijgevel
niet meer bedragen dan 3 m.
5. omtrent de goothoogte respectievelijk nokhoogte niet meer bedragen dan 3 m en 6 m;
6. een dakhelling hebben die gelijk is aan de dakhelling van het hoofdgebouw of plat is;

d. Bijgebouwen
1 . De gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen mag niet meer dan 1/3 deel van het
gearceerde gedeelte van het bestemmingsvlak, exclusief het hoofdgebouw, met een
maximum van 120 m2 bedragen.
2. De goothoogte en nokhoogte mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 3m en 6m.
3. De afstand van een bijgebouw tot het verlengde van de voorgevel van het
hoofdgebouw mag niet minder bedragen dan 3 m.
4. De afstand van een bijgebouw tot de zijdelingse perceelgrens mag bij vrijstaande
woningen aan 66n van beide zijden niet minder bedragen dan 2m.
5. De afstand van een bijgebouw tot openbare verharding mag niet minder bedragen dan 1
m .

e. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2 m bedragen, met
uitzondering van erfafscheidingen voor de voorgevel, waarvan de hoogte niet meer dan 1 m
mag bedragen, en palen en masten, waarvan de hoogte niet meer dan 6 m mag bedragen.

3. Gebruiksregels
Tot een verboden gebruik van deze gronden, zoals bedoeld in artikel 13 eerste lid, wordt in ieder
geval gerekend:
a. het gebruik van gronden en bouwwerken als opsiag-, los- en/of laadplaats ten behoeve van
handelsdoeleinden;
b. het gebruik van de grond als stallingsplaats voor boten met een grotere hoogte dan 1 m en
toercaravans.


7 V

4. Vrijstellingen
Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in:
a. het tweede lid onder a 2 en c 1 voor het bouwen van erkers en hoofdingan-
gen:
1. tot een gezamenlijke opperviakte van niet meer dan 4 m2;
2. tot een diepte van niet meer dan 1,50 m;
3. met een goothoogte van niet meer dan 3 m;
4. tot een afstand van de perceelgrens van niet minder dan 2 m;
b. het tweede lid onder b, c, d en a tot ten hoogste 1 0% van de daar voorgeschreven
maten;
c. het tweede lid onder b sub 5 voor de zijdelingse afstand
1. voor de categorie Wa en Wb tot 1 meter van de perceeisgrens;
2. voor categorie Wc op de perceeisgrens, mits de andere vrije zijde vrij blijft.
d. het eerste lid en het tweede lid onder a 1 voor het bouwen van een kantooren/of
praktijkruimte ten behoeve van een beroep aan huis of een aangepaste
woninguitbreiding voor een gehandicapte, met inachtneming van het bepaalde in het
tweede lid onder d 4:
1. tot een opperviakte van niet meer dan 40 m2 en met inachtneming van het
bepaalde in het tweede lid onder c 1;
2. tot een goothoogte van niet meer dan 3 m;
3. tot een hoogte van niet meer dan 6 m.

5. Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen, met in achtneming van de in artikel 1 5 van deze
voorschriften opgenomen procedure, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 1 van de Wet
op de Ruimtelijke Ordening het bestemmingsplan wijzigen voor wat betreft de onderlinge
uitwisseling van de categorie 'woningen met tuinen en erven' (Wa, Wb en Wc). Op de
desbetreffende bestemmingen is het bepaalde in lid 2 van overeenkomstige toepassing.

6. Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid
onder c 1, d 4 en d 5 nadere eisen stellen aan de situating van woninguitbreidingen en
bijgebouwen en ten aanzien van de zijde die vrij van bebouwing moet blijven, als dat
noodzakelijk is ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiks- en
genotmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en om te voorkomen dat
het stedenbouwkundig beeld onevenredig wordt aangetast.
Het stedenbouwkundig beeld komt tot uitdrukking in de afstemming van de
woninguitbreidingen en bijgebouwen enerzijds ten opzichte van elkaar en anderzijds ten
opzichte van de openbare buitenruimte.

7. Verwijzingsbepaling
Voor zover er sprake is van de aanwezigheid van gronden met archeologische waarden is
het bepaalde in artikel 12 eveneens van toepassing.


8 V

C. Bedrijfsdoeleinden

art. 5 KANTOOR EN SHOWROOM

1. Bestemmingsomschrijving
Deze gronden zijn bestemd voor kantoren en showrooms, waarin artikelen uitgestald
worden, met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2. Bebouwingsnormen
a. Het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan op de plankaart
staat aangegeven.
b. De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen
dan op de plan kaart staat aangegeven.

3 Gebruiksregel
Tot een gebruik van gronden en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, strijdig met
de bestemming, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1, wordt in ieder geval gerekend
het bedrijfsmatig verkopen of ten koop aanbieden van de tentoongestelde
artikelen.


9 V

D. Nutsdoeleinden

art. 6 GROENVOORZIENING

1. Bestemmingsomschrijving
Deze gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, verblijfsplaats (V), waaronder
bijvoorbeeld speel- en visplaatsen, voet- en fietspaden en water met de daarbij
behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder straatmeubilair.

2. Bebouwingsnormen
De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan:
1. 9 m voor palen en masten;
2. 3 m voor overige bouwwerken.

3. Verwqzingsbepaling
Voor zover er sprake is van de aanwezigheid van gronden met archeologische
waarden is het bepaalde in artikel 12 eveneens van toepassing.

art. 7 WATER

1 . Bestemmingsomschrijving
Deze gronden zijn bestemd voor water, met de voor de waterhuishouding en het
verkeer over water noodzakelijke bouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede voor
verblijfsplaatsen, waaronder bijvoorbeeld een visplaats met de daarbij behorende
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2. Gebruiksregels
Tot een verboden gebruik van deze gronden wordt in ieder geval gerekend het
gebruik als ligplaats voor woonschepen en overige vaartuigen.

3. Verwijzingsbepaling
Voor zover er sprake is van de aanwezigheid van gronden met archeologische
waarden is het bepaalde in artikel 12 eveneens van toepassing.


10 V

E. Maatschappelijke doeleinden

art. 8 MAATSCHAPPELIJKE VOORZIENINGEN (woonzorgcomplex)

1 . Bestemmingsomschrijving
Deze gronden zijn bestemd voor:
a. een zorg- en dienstencentrum voor ouderen, aismede voor de huisvesting en
verzorging van ouderen;
b. wegen, voet- en fietspaden en parkeerplaatsen;
c. nutsvoorzieningen;
d. groenvoorzieningen, water en tuinen en erven, en
e. straatmeubilair en overige bouwen, geen gebouwen zijnde.

2. lnrichtings- en bebouwingsnormen
Binnen deze bestemming mogen tenminste 1 00 en ten hoogste 1 1 0 wooneenheden
worden gerealiseerd.
De bebouwde oppervlakte en de hoogte van het gebouw mag niet meer bedragen dan
op de plankaart staan aangegeven;
a. Erfafscheidingen mogen niet meer hoger zijn dan
1. 2 m, voor zover gelegen achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het
denkbeeldige veriengde daarvan;
2. 1 m, voor zover gelegen voor de voorgevel van het hoofdgebouw of het
denkbeeldige verlengde daarvan.
b. Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen niet 11 hoger zijn dan 3 m.

3. Parkeernorm
a. Het aantal te realiseren autoplaatsen mag niet minder bedragen dan 0.15 per
wooneenheid.
b. Per arbeidsplaats dient een aantal van 0.33 autoplaatsen te worden gerealiseerd.
c. Voor het verkeer ten behoeve van dienstveriening aan ouderen dienen 7
parkeerplaatsen te worden gerealiseerd.

4. Vrijstellingen
Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verienen van het bepaalde in het
tweede lid onder b met ten hoogste 10 % van het genoemde percentage, mits:
1 . de bebouwing door plaats, positie en afmeting, zowel visueel als functioneel geen
onevenredige afbreuk doet aan de kwaliteit van de openbare ruimte waaraan
het bouwperceel is gelegen;
2. de bebouwing door plaats, positie en afmeting geen onevenredige inbreuk maakt
op de gebruikswaarde van de belendende panden of percelen inzake
bereikbaarheid, zichtbaarheid, uitzicht, eliciting, bezonning en privacy.


11 V

F. Verkeersdoeleinden

art. 9 OPENBARE BUITENRUIMTE

1. Bestemmingsomschrijving
Deze gronden zijn bestemd voor rijwegen, fiets- en voetpaden, parkeerplaatsen,
straatmeubilair, huisvuilverzamelplaatsen en/of -containers, groenvoorzieningen,
speelplaatsen, water, beschoeiingen, bruggenhoofden, hellingen, trappen en de
daarbij behorende bouwwerken.

2. Bebouwingsnormen
a. De oppervlakte van een gebouw mag niet meer bedragen dan 3 m2 .
b. De hoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan 2.50 m .
c. De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen
dan:
1. 9 m voor palen en masten;
2. 2.50 m voor overige bouwwerken.

3. Verwijzingsbepaling
Voor zover er sprake is van de aanwezigheid van gronden met archeologische
waarden is het bepaalde in artikel 12 eveneens van toepassing.

art. 1 0 WEGEN

1. Bestemmingsomschrijving
Deze gronden zijn bestemd voor wegen, met inbegrip van de nodige rijwegen,
voet- en fietspaden, parkeerstroken, openbaarvervoershalten, bermen en water,
met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en
straatmeubilair.

2. Bebouwingsnormen
De hoogte van bouwwerken mag niet meer bedragen dan 10 m.


12 V

HOOFDSTUK III: UIT TE WERKEN BESTEMMING

G. Woondoeleinden

art. 1 1 WOONGEBIED

1 . Bestemmingsomschrijving
Deze gronden zijn bestemd voor:
a. woningen met de daarbij behorende bijgebouwen en aanbouwen, alsmede
tuinen en erven;
b. wegen, voet- en fietspaden en parkeerplaatsen;
c. nutsvoorzieningen;
d. groenvoorzieningen, water en speelpiekken,
e. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder straatmeubilair.

2. Uitwerkingsregels
a. Typering woongebied
Het na te streven woonmilieu wordt gekenmerkt door vrijstaande woningen
in een lage dichtheid. De ligging van het gebied langs de Nes als landelijke
ontsluitingsweg en de aanwezige archeologische waarden zijn voor de
bebouwing en inrichting van het gebied structuurbepalende elementen. Het
landelijke karakter van de Nes wordt onderstreept door de individuele
uitstraling van de vrijstaande woningen en de ruime percelen.
Bij de situering van bijgebouwen wordt de na te streven openheid van het
gebied mede in ogenschouw genomen: richtlijn is derhalve de concentratie
van bebouwing per perceel. De bebouwingsnormen zijn afgestemd op het
landelijk karakter. Teneinde de archeologische waarden veilig te stelien,
worden bouwen en inrichten aan nadere voorwaarden (zie artikel 12)
gebonden.

b. Wonen
1. Binnen het woongebied mogen niet minder dan 20 woningen worden
gebouwd, met de daarbij behorende aan- en bij gebouwen.
2. De bebouwing zal door plaats, positie en afmeting, zowel visueel als
functioneel moeten bijdragen aan de kwaliteit van de openbare buiten
ruimte waar het bouwperceel is gelegen.
3. In en/of bij de woningen is beroepsuitoefening aan huis toegestaan, mits
de beoefenaar van het beroep ook daadwerkelijk in die woning is
gehuisvest, de woning in hoofdzaak haar woonfunctie behoudt en het
beroep aan huis een uitwerking of uitstraling heeft die met de
woonfunctie in overeenstemming is. Daarnaast kunnen via vrijstelling
ook andere niet-publieksgerichte (bedrijfsmatige) activiteiten worden
toegelaten.


13 V

c. Ontsluiting en parkeren
1. De ontsluitingsstructuur zal in ieder geval bestaan uit buurtontslui-
tingswegen en interne ontsluitingsstraten, woonstraten en woonerven.
2. De autoplaatsen worden gerealiseerd op eigen terrein bij de woningen.

3. Bebouwingsnormen
a. Woningen
1. Het aantal mag niet minder bedragen dan 20
2. De inhoud mag niet meer bedragen dan 450 m3
3. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 4 m
4. De nokhoogte mag niet meer bedragen dan 9 m .
5. De woningen dienen met heliende viakken te worden afgedekt.

4. Bijgebouwen en aanbouwen
1. De gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 60 m2.
2. De goothoogte en nokhoogte mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 3m en 6m.
3. De afstand van een bijgebouw tot het verlengde van de voorgevel van een woning op
hetzelfde bouwperceel mag niet minder bedragen dan 3 m .
4. De afstand van een bijgebouw tot de zijdelingse perceelgrens dient bij vrijstaande
woningen aan 66n van beide zijden niet minder te bedragen dan 2 m
5. De afstand van een bijgebouw tot openbare verharding mag niet minder bedragen dan
2m.

5. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
1. Erfafscheidingen mogen niet hoger zijn dan:
a. 2 m, voor zover gelegen achter de voorgevel van de woning of denkbeeldige
verlengde daarvan;
b. 1 m, voor zover gelegen voor de voorgevel van de woning of het denkbeeldig
veriengde daarvan.
2. Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen niet hoger dan 3 m.

6. Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen ter bevordering van de ruimtelijke kwaliteit nadere
eisen stelien aan:
a. de plaats, positie en afmeting van bebouwing ten behoeve van een behoorlijke
afstemming op de visuele en functionele kwaliteit van de aangrenzende openbare
ruimte;
b. de plaats, positie en afmeting van bebouwing ten behoeve van een behoorlijke
afstemming op de gebruikswaarden van belendende panden of percelen, met betrekking
tot bereikbaarheid, zichtbaarheid, uitzicht, belichting, bezonning en privacy;
C. de situering van de parkeerplaatsen.


14 V

HOOFDSTUK IV: ALGEMENE BEPALINGEN

 

art. 12 BESCHERMING ARCHEOLOGISCHE WAARDEN

1 . Voor zover gronden zijn gelegen binnen de op de kaart aangegeven "grens
terrein van oudheidkundige betekenis' zijn zij tevens bestemd voor het behoud of
herstel van de daar voorkomende archeologische waarden, die zijn vermeld in
bijlage A behorende bij deze voorschriften.

2. Beschrijving in hoofdlijnen
Bouwen en inrichten van deze gronden ingevolge deze voorschriften dient plaats
te vinden op een zodanige wijze dat de bestaande archeologische waarden niet
onevenredig worden aangetast en de informatie hierover zoveel mogelijk wordt
veiliggesteld.
Om dit te kunnen beoordelen, dienen bouwaanvragen vergezeld te gaan van een
effectrapportage, waarin inzicht wordt gegeven op de mogelijke gevolgen van het
bouwen op de archeologische betekenis van de gronden.
Ook kan het nodig zijn dat nader onderzoek plaatsvindt naar het voorkomen van
archeologische sporen, opdat deze informatie wordt vastgelegd in het
bodemarchief, alvorens te bouwen.
In ieder geval moet worden aangegeven op welke wijze met de combinatie van
situering, aard en omvang van bouwwerken is ingespeeld op de doeistelling van
behoud van de archeologische waarden.
Over de rapportage brengt de ROB of de provinciaal archeoloog advies uit,
alvorens over de bouwaanvraag wordt beslist.
Voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden geldt een
aanlegvergunningvereiste.

3. Aanlegvergunning
a. Het is verboden op of in de in het eerste lid bedoelde gronden, zonder of in
afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders
de navolgende werken of werkzaamheden uit te voeren:
1 . grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm -Mv;
2. aanleg van ondergrondse leidingen, waartoe ook drainage wordt
gerekend;
3. bodem verlagen of afgraven;
4. aanbrengen van oppervlakverhardingen;
5. het graven van watergangen en vijvers.

b. Normaal onderhoud
Het in lid 2a bedoelde verbod is niet van toepassing op werken of
werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen.


15 V

c. Toetsingscriteria aanlegvergunning
1. De werken of werkzaamheden als bedoeld in sub a en b, zijn krachtens
aanlegvergunning slechts toelaatbaar, indien door die werken of
werkzaamheden, dan wel de gevolgen ervan, hetzij direct, hetzij indirect
te verwachten is, dat de archeologische waarden op niet-onaanvaardbare
wijze worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden tot
herstel of het veilig stellen van de waarde niet-onaanvaardbaar worden of
kunnen worden verkleind, in welk geval vergunning wordt verleend.

2. Voor werken en werkzaamheden die de archeologische waarden kunnen aantasten,
dient voor de vergunningverlening een afweging gemaakt te worden tussen het nut
van de activiteit en de inbreuk op de archeologische waarden. Hierover wordt
advies ingewonnen worden bij de ROB dan wel de provinciaal archeoloog. In de
afweging dient dan ook mee te worden gewogen of voorbijgaand aan de werken en
werkzaamheden de mogelijkheid wordt geboden om archeologische waarden veilig
te stellen.

16 V


16 V


art. 13 ALGEMENE GEBRUIKSBEPALING
1 . Het is verboden de in dit plan begrepen gronden en de daarop voorkomende
bouwwerken te gebruiken voor een doel of op een wijze strijdig met het in dit
plan -behoudens in artikel 16 tweede lid - bepaalde.

2. Burgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde onder 1,
indien strikte toepassing zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige
gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

art. 14 ALGEMENE VRIJSTELLINGEN

Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het in het plan
bepaalde voor:
a. de bouw van kleine utilitaire bouwwerken, zoals transformatorhuisjes,
gemalen en gasdrukregel- en meetstations: de oppervlakte respectievelijk de
goothoogte van een bouwwerk mag niet meer bedragen dan 20 m2 en 3 m;
b. het overschrijden van de voorgevelreferentielijnen en het overschrijden van
de grenzen tussen de bestemmingen "woningen", "woningen met tuinen en
erven", "groenvoorziening", 'water" en "openbare buitenruimte", als dat voor
een praktische uitvoering van het plan noodzakelijk is, met inachtneming van
de volgende regels:
1 . de overschrijding mag niet meer bedragen dan 5 m;
2. het percentage opperviaktewater dient niet te verminderen ten opzichte
van het huidige percentage.
3. de bepalingen die voor gronden met de bestemmingen "woningen met
tuinen en erven", "groenvoorziening", "water" en "openbare
buitenruimte" gelden, zijn van kracht voor de gebieden, die door
overschrijding bij deze gronden zijn gaan behoren.

art. 1 5 PROCEDURE BIJ TOEPASSING VAN DE WIJZIGINGS/ UITWER-
KINGSBEVOEGDHEID

Bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid als omschreven in artikel 4 lid 5 en bij
toepassing van de uitwerkingsbevoegdheid als omschreven in artikel 1 1, dienen de
navolgende procedureregels in acht genomen te worden:
a. de ontwerpwijziging ligt gedurende 2 weken ter gemeentesecretarie ter
inzage;
b. burgemeester en wethouders maken deze tervisielegging tevoren in 66n of
meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen die in de gemeente worden
verspreid, alsmede op de gebruikelijke wijze bekend;
c. de bekendmaking houdt mededeling in van de bevoegdheid tot het naar voren
brengen van bedenkingen;
d. gedurende de onder a genoemde termijn kunnen belanghebbenden bij
burgemeester en wethouders schriftelijk bedenkingen naar voren brengen
tegen de ontwerpwijziging;
e. burgemeester en wethouders nemen een met reden omkieed besluit en doen
daarvan mededeling aan hen die bedenkingen naar voren hebben gebracht;
f. bij het aan Gedeputeerde Staten ter goedkeuring inzenden van de vastgestelde
wijziging worden de ter zake naar voren gebrachte bedenkingen
meegezonden;
g. het besluit van Gedeputeerde Staten wordt aan hen die bedenkingen naar
voren hebben gebracht meegedeeld.


17 V

art. 16 OVERGANGSBEPALING

1. Bouwen

Een bouwwerk dat afwijkt van dit plan en dat hetzij op het tijdstip van
terinzagelegging van het ontwerp van dit plan is of wordt opgericht, hetzij na dit
tijdstip is of wordt opgericht met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens
de Woningwet, mag, mits de bestaande afwijkingen naar hun aard niet worden
vergroot en behoudens onteigening:
a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits dit geen algehele
vernieuwing of verandering van het in de aanhef bedoelde bouwwerk tot
gevolg heeft;
b. uitsluitend indien het bouwwerk door een calamiteit is tenietgegaan, geheel
worden vernieuwd of veranderd, met inachtneming van de grenzen welke ten
aanzien van het bouwen ter plaatse bij het plan zijn bepaald, tenzij herbouw
daardoor niet zou zijn toegestaan, en mits de bouwaanvraag is ingediend
binnen 18 maanden nadat het bouwwerk is tenietgegaan;
c. tot niet meer dan 1 1 5 % van de opperviakte van het in de aanhef bedoelde
bouwwerk worden uitgebreid, met inachtneming van de grenzen welke ten
aanzien van het bouwen ter plaatse bij het plan - behoudens in dit artikellid
zijn bepaald.

2. Gebruik

Het gebruik van gronden en bouwwerken, dat in strijd is met het in dit plan -
behoudens in dit artikellid - bepaalde en dat bestaat op het tijdstip waarop het
plan, voor zover betrekking hebbend op de strijdigheid van dat gebruik, van
kracht wordt, mag worden voortgezet of gewijzigd, mits door die wijziging de
strijdigheid met het plan niet wordt vergroot.


18 V

art. 1 7 STRAFBEPALING

Overtreding van artikel 13 eerste lid is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 59
van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

art. 18 SLOTBEPALING

Deze voorschriften kunnen worden aangehaald onder de titel:
"Voorschriften bestemmingsplan "Hoep-Noord".


22 juni 2000


BIJLAGE : ARCHEOLOGISCHE WAARDEN


Archeologische waarden plangebied Nes-Hoep in de gemeente Schagen

Karterend onderzoek

Uit het karterend onderzoek is ťťn vindplaats uit de prehistorie (waarschijnlijk de lJzertijd/inheems-Romeinse tijd) en een zone met vindplaatsen uit de Middeleeuwen langs de Nesdijk ontdekt.

Door het uitvoeren van boringen is veel archeologisch materiaal aangetroffen, zoals:

De gaafheid, precieze ligging, aard, omvang en datering van de vindplaats is door waarderend onderzoek geprobeerd vast te stellen.

De zone met de middeleeuwse vindplaatsen ligt langs de Nesdijk. De hier aanwezige twee laat-middeleeuwse terpen (terreinen van zeer hoge archeologische waarden) blijken in werkelijkheid groter te zijn dan staat geregistreerd (ARCHIS). Daarnaast zijn in de zone nieuwe vindplaatsen ontdekt op basis van oppervlaktevondsten. Ook voor de laat-middeleeuwse vindplaatsen is waarderend onderzoek verricht. 

Waarderend onderzoek

Prehistorische vindplaats
Uit dit onderzoek is gebleken dat de prehistorische vindplaats geen duidelijke aanwijzingen geeft voor de aanwezigheid van een nederzetting te plaatse. Ook blijkt het moeilijk de vindplaats te begrenzen: in de ene boring zijn wel archeologische indicatoren, zoals kleine fragmenten houtskool, verbrande leem, aardewerk en fosfaatvlekken, aangetroffen, in andere niet. Daarnaast is er geen duidelijke cultuurlaag aangetroffen. Waarschijnlijk heeft in het plangebied niet de kern van een nederzetting gelegen, maar geven de archeologische indicatoren het perifere gebied eromheen aan. In dit gedeelte van een nederzetting kunnen wel archeologische sporen voorkomen, zoals ontginningsgreppels of kuilen. Dit soort sporen zijn door middel van booronderzoek moeilijk vast te stellen. Het is van belang om deze sporen te documenteren. Daarom wordt aanbevolen de bouwwerkzaamheden archeologisch te laten begeleiden. Hierdoor kan in een zo vroeg mogelijk stadium inzicht verkregen worden in de eventuele aanwezigheid van archeologische sporen.

Laat-middeleeuwse vindplaatsen
In de gehele zone langs de nesdijk zijn sporen van bewoning in het verleden aangetroffen. Deze uiten zich onder andere in aardewerkscherven, puin en verbrande leem aan het oppervlak en in ophogingslagen in de boor. De aanwijzingen voor bewoning die tijdens het boren zijn aangetroffen, bestaan uit ophogingslagen, direct onder de bouwvoor met een gemiddelde dikte van 1 meter. In deze lagen zijn archeologische indicatoren aangetroffen, zoals:

In ťťn boring zijn veenbrokken aangetroffen; mogelijk is hier sprake van ophoging met plaggen. Door de aanwezigheid van ophogingslagen zou de gehele zone langs de Nesdijk beschermd moeten worden.

De terpen bezitten cultuurhistorische waarde als zichtbare herinnering aan het verleden. In samenhang met elkaar, met de Nesdijk, het Nespad en de ontginningssloot met de kenmerkende zigzag-vorm midden door het plangebied, bezitten zij cultuurlandschappelijke waarde. Onder de cultuurlandschappelijke waarde wordt verstaan - visueel of functioneel - tussen ťťn of meer archeologische elementen en natuurlijke of historisch-geografische terreinkenmerken. Deze waarde kan een belangrijke dimensie toevoegen aan het landschap.

 

Bron: RAAP-rapport 322:
Gemeente Schagen - plangebied Nes-Hoep - "Een archeologische kartering en waardering".


TEKENING BEHORENDE BIJ HET BESTEMMINGSPLAN HOEP NOORD